Algemene Wet Gelijke Behandeling
Het is wettelijk bepaald dat iemand niet ongelijk behandeld mag worden vanwege zijn godsdienst, levensovertuiging, politieke overtuiging, ras, geslacht, nationaliteit, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, arbeidsduur of soort contract. In dit artikel lees je hoe je je hierin als werkgever het best kan opstellen.Wat is de wet gelijke behandeling?
In de wet is vastgesteld dat mensen niet ongelijk behandeld mogen worden vanwege verschillende discriminatiegronden. Alleen als er een goede reden is, of omdat in de wet een uitzondering is vastgelegd, is onderscheid wel toegestaan. In principe moeten mensen dus gelijk behandeld worden ongeacht hun:
godsdienst
levensovertuiging
politieke overtuiging
ras
geslacht
nationaliteit
seksuele gerichtheid
burgerlijke staat
arbeidsduur (voltijd- of deeltijdwerk)
handicap of chronische ziekte
soort contract (vast of tijdelijk)
leeftijd
De Commissie Gelijke Behandeling
De Commissie Gelijke Behandeling (CGB) houdt toezicht op de naleving van de gelijkebehandelingswetten. Iedereen die zich ongelijk behandeld voelt, kan naar de CGB stappen. Naar aanleiding van de klacht kan de Commissie een onderzoek instellen. De CGB beoordeelt dan of de gelijkebehandelingswetgeving goed is nageleefd. De Commissie brengt ook adviezen uit over de gelijkebehandelingswetgeving, doet onderzoek uit eigen beweging en geeft voorlichting. Als werkgever kun je de CGB om advies vragen. Dit is eenvoudig en er zijn geen kosten aan verbonden.
De wet gelijke behandeling heeft betrekking op:
in- en externe werving en selectie (o.a. het bekend maken van vacatures, selectie)
arbeidsbemiddeling (uitzendbureaus, maar ook beroepskeuzeadvies en het aanbieden van werkervaringsplaatsen)
het aangaan van een arbeidsverhouding en ontslag
arbeidsvoorwaarden (zoals beloning, vakantie, verlof, reiskostenvergoeding etc)
beroepsonderwijs en bijscholing
promotie
arbeidsomstandigheden (op de werkvloer)
loopbaanoriëntatie
(lidmaatschap van) werkgevers- en werknemersorganisaties/vereniging van beroepsgenoten
‘vrije beroepen’ (zoals advocaten en notarissen)
zelfstandigen zonder personeel
de overheid als werkgever en ambtenaren.

